MONSE WEIJERS VERTALER

Contact: Monse Weijers
Pekelharingstraat 9 II
1097 HH Amsterdam
Tel. 020 6943287
monseweijers@kpnplanet.nl
Ik huil en ik jammer

Kort over mij

Monse Weijers werd in 1942 geboren in Heemstede. In 1960 werd hij bij de Nederlandse jeugdatletiekkampioenschappen vierde op de 800 meter hardlopen en in 1961 derde op de 1500 meter. In hetzelfde jaar deed hij eindexamen aan het Triniteitslyceum in Haarlem (gymnasium alpha) en ging daarna Slavische Talen studeren aan de UVA. Het doctoraalexamen legde hij af met Russisch als hoofdvak en Pools, Tsjechisch en Hongaars als bijvakken. Hij werkte van 1978 tot 1980 op het gemeentearchief van Amsterdam als regestenmaker, van 1980 tot 1982 op het Oost-Europa instituut en van 1982 tot 2006 op het Slavisch seminarium, beide van de UVA, als pojectmedewerker. De projecten betroffen onder andere een artikelencatalogus en drie woordenboeken: Nederlands-Russisch, Russisch-Nederlands en Pools-Nederlands. Ook vertaalde hij 23 boeken uit het Russisch (zie bijgevoegde lijst) en schreef verhalen en stukjes in De Tweede Ronde, Propria Cures, Hard Gras, Mens en Gevoelens, de Reünistenberichten (van atletiekclub Haarlem), TeGek! en Argus.

Adres: Pekelharingstraat 9/2
1097 HH Amsterdam
Tel. 020-6943287
Mob. 06-12912578

16 brieven van Kazakov aan Paustovski

1

9 oktober 1957, Moskou

Beste Konstantin Georgijevitsj

Ik stuur deze brief gewoon naar Taroesa en weet niet of hij u bereikt.

Ik schrijf u omdat ik u wil zeggen dat ik erg veel van u houd. De hele zomer wil ik al naar u toekomen of u schrijven, maar ik durf niet. Ik heb net het eerste deel van uw verzamelde werken ontvangen en lees ‘De romantici’(1), en nu wil ik dat u weet dat in Moskou op de Arbat iemand uw boek zit te lezen en steeds weer geroerd is en van u houd.

Ik wil niets zeggen over uw boeken, al zou ik daar waarschijnlijk veel over kunnen zeggen. Ik wil een ding: een ontmoeting met u, naar u luisteren en, ik geef het toe, u enkele vragen stellen betreffende de literatuur. Die vragen laten me geen rust en verzwakken me, en alleen een eerlijk mens kan er een antwoord op geven. Ik ben trots op uw eerlijkheid, uw humanisme is me dierbaar en natuurlijk wil ik alleen u om advies vragen.

Deze zomer had ik een schokkende ervaring: ik was voor het eerst in Leningrad. Ik maakte er nog de laatste restjes van de witte nachten mee, wist niet wat ik zag, wilde iets schrijven over deze overweldigende stad, maar toen ik weer thuis was, herlas ik ‘De bronzen ruiter’, jankte een beetje en schreef niets.

Tot ziens, Konstantin Georgjevitsj, God geve u gezondheid! Ik houd erg veel van u.

P.S. Ik ben blij dat ik u hierover heb geschreven. Ik had het zo niet durven zeggen, maar toch had ik het nodig om het te zeggen. Maakt het een sentimentele indruk? Het zij zo – u hebt me daartoe gebracht.

(1) ’De romantici’ - roman van K.G. Paustovski, geschreven in 1916-1923 en voor het eerst gepubliceerd in 1935, hiermee begon het eerste deel van de door Kazakov genoemde Verzamelde Werken.


2

22 november 1957

Hooggeachte, dierbare, beste Konstantin Georgijevitsj,

Ik heb u al een brief gestuurd na hem aldus geadresseerd te hebben: ‘Taroesa. K.G. Paustovski’, dus zoiets als ‘Het dorp, grootvader’. Ik heb besloten om me nergens voor te schamen en nu ik heb gehoord dat u in Jalta bent, schrijf ik u opnieuw. Men zegt dat uw Verzamelde Werken in een monsterlijke oplage van de hand is gegaan! Hoera! Het doet me plezier en vervult me met ontzag. Het doet me plezier om twee redenen: in de eerste plaats voor u en in de tweede plaats omdat het uw vijanden zal beschamen.

U bent een groot en klassiek schrijver en ik durf u nauwelijks te schrijven. Ik zou u allerlei prachtige woorden willen toevoegen, maar ik geneer me en ben bang om lyrisch te worden, hetgeen ongepast zou zijn.

Ik heb het tweede deel nog niet gezien. Men zegt dat daar ‘De gouden roos’ (het eerste deel) in staat. Intussen schrijft u het tweede deel. Was het echt niet mogelijk om wat te wachten en het hele werk in een van de laatste delen af te drukken?

Van de zomer ben ik met de kinderdichter Joeri Korinets(1) naar het noorden gereisd: de rivieren de Soechon, de Noordelijke Dvina, het Onegameer, de Witte Zee, het schiereiland Kola. Aanvankelijk betreurde ik het dat u niet met ons mee was gegaan (herinnert u zich dat ik u daartoe heb proberen over te halen?) , maar daarna kreeg ik er plezier in. In onze tijd moet je zo reizen als A. Soerkov(2) of Dolmatovski(3), die van te voren de instanties officieel verwittigen, zodat ze de hoge gast met een auto kunnen komen ophalen. Als je zo reist als wij, dat wil zeggen op een ongeorganiseerde manier, betekent dat dat je honderd keer wordt verdacht van spionage, dat je honderd keer wordt opgebracht naar de militie of de KGB en honderd keer ongenadig wordt verhoord.

Dat gebeurt allemaal omdat alle streek- en districtskranten vergeven zijn van de Sjpanovs(4) en de Brjantsevs(5) etc. In iedereen die op doorreis is zien ze een spion, ze passen allerlei trucs op hem toe, die worden beschreven in de verhalen van bovengenoemde heren, en roepen zodra dat hun uitkomt met overslaande stem: ‘Handen omhoog’.

Daarbij heb je in het noorden verschrikkelijk veel dronkenlappen en ben je nergens veilig voor hen. Ze drinken allemaal en overal: op treinen, op stoomboten, in de steden en de dorpen. En de beste manier om de dronkenlappen van je af te houden is om zelf dronken te zijn.

Na Dubulti heb ik drie verhalen geschreven. Twee van hen zijn gepubliceerd, met de derde ben ik vastgelopen: ik was er niet voor in de stemming. In verschillende uitgeverijen zijn drie boeken van mij geaccepteerd. Aangezien dat te veel is voor een beginnend schrijver, dat wil zeggen: zo’n succes is geen normaal verschijnsel, verwacht ik iedere dag dat zich een afgrond voor me opent en heb ik zelfs een lang gedicht geschreven over de komende vergelding – in blanke verzen ( voor rijm had ik geen fut).

In Archangelsk is een boekje van me uitgekomen (5a), dat ik u met angst in het hart toestuur. Het boekje is – voor een streekuitgeverij – mooi uitgegeven. De inhoud is niet zo geweldig, leest u het maar niet. Ik zou het u niet sturen als het niet mijn eerste boek was , en het me eerlijk gezegd, ontzettend veel plezier doet om het aan iedereen cadeau te geven. Nee me niet kwalijk!

In het noorden beginnen de dronkenlappen het gesprek met ons aldus: ‘Ik ben een Rus natuurlijk… neem me niet kwalijk!’

Op het ogenblik heb ik meer dan genoeg onderwerpen in mijn hoofd, maar om een of andere reden kan ik er niet mee aan de slag. Ik heb het schrijven deze zomer verleerd. Ik begin eraan en het wordt zo’n doffe ellende dat ik me wel kan ophangen. Ik begin er al bang van te worden. Ik ben überhaupt een mysticus en een fatalist geworden.

O het instituut is het momenteel een en al ellende. Ozerov(6)hebben ze ontslagen vanwege ‘liberalisme’, ze hebben allemaal ingebonden, ook uw Galka(7)…Overigens weet u waarschijnlijk alles van haar over de gebeurtenissen op ons instituut. Ik ben blij dat ik er bijna af ben, het staat me tegen.

In de “Komsomolskaja pravda’ hebben ze ons ‘tijdschrift van de jongeren’ in de grond geboord, velen hebben er van langs gekregen en van mijn verhaal ‘Rook’ is alleen rook overgebleven. Mijn redactrice (van de Sovetski pisatel) is zich doodgeschrokken en wil ‘Rook’ schrappen. Ik verzet me zonder fut.

Ik zou u erg graag willen zien en met u praten. Hoe voelt u zich? Kunt u goed werken? In Jalta is het nu waarschijnlijk goed toeven, maar in Moskou heerst een barre koude, en ook het griepvirus.

Konstantin Georgijevitsj! Stuur me alstublieft een foto van u! IK houd immers al vijftien jaar van u, neem die tijd in aanmerking, ik bedoel mijn trouw, en doe me dat plezier. Ik ben in Leningrad geweest en heb Ritsji(8) gezien; ze heeft me uw brief aan haar getoond, pronkte met haar boek en keek mij verachtelijk aan. Het filmpje waar u op staat, in Dubulti en Riga, heeft iemand van hen gejat en daardoor kon ik uw foto niet te pakken krijgen.

Leningrad is in alle opzichten een abnormale stad, en ik ben blij dat ik er voor het eerst heen ben gegaan toen ik 29 was. Als ik er als jongetje heen was gegaan, had ik er waarschijnlijk niets van begrepen, maar nu stond ik paf en slaakte kreten van verrukking.

Ritsji en Igor wonen in een fantastische straat – de voormalige Fuhrstatstraat, naast de Taurische tuin. De bofkonten! Moskou en mijn Arbat verbleekten voor mij en ik vond het ontzettend jammer dat ‘Blauw en groen’ op dat moment al gepubliceerd was, anders had ik alles verplaatst naar Leningrad en daar had het verhaal alleen maar bij gewonnen.

Tot ziens, het ga u goed! Sorry dat ik u gestoord heb.

Uw J. Kazakov

IK zou u ontzettend graag willen zien en met u praten, ik heb veel vragen. Kan ik hopen op een ontmoeting met u? Is ‘Literair Moskou’ nu definitief opgeheven, en waar is het laatste deel van uw trilogie nu te lezen? IK heb D.Granin(9) onlangs gezien, naast het gebouw van de schrijversbond. Hij glimlachte en nodigde me uit om thee met hem te gaan drinken (in Leningrad). Eind november zal in Leningrad een workshop van jonge Russische prozaschrijvers plaatsvinden. Ze zijn zo goed geweest om mij uit te nodigen. Gaat u niet een van de werkgroepen leiden op die bijeenkomst en bent u berhaupt van plan dit najaar naar Leningrad te gaan?

(1) Joeri Josifovitsj Korinets (1923-1989), dichter, vriend van Kazakov.

(2) Aleksej Aleksandrovitsj Soerkov (1899-1983), dichter, secretaris van het bestuur van de schrijversbond, zat in de Opperste Sovjet en was kandidaatlid van het Centraal Comité van de CP.

(3) Jevgeni Aronovitsj Dolmatovski (1915-1994), dichter, professor aan het literair instituut.

(4) Nikolaj Nikolajevitsj Sjpanov (1896-1961), schrijver, auteur van officiele, politieke detectives zoals ‘De brandstichters’ (1949) en ‘De samenzweerders’ (1951).

(5) Georgi Michajlovitsj Brjantsev (1904-1960), schrijver, auteur van spannende boeken over sovjetrussiche spionnen en partizanen,zoals ‘Geheime wegen’ (1953) en ‘Sporen in de sneeuw’ (1954).

(5a) Teddy, de geschiedenis van een beer.

(6) Vitali Michajlovitsj Ozerov (1917-2007), criticus en literatuurwetenschapper, directeur van het literair instituut.

(7) Galina Aleksejevna Arboezova (geb,1935), stiefdochter van Paustovski, dochter van de dramaturg Aleksej Nikolajevitsj Arboezov (1908-1986), afgestudeerd aan het literair instituur, critica en dramaturge.

(8) Ritsji Michajlovna Dostjan, schrijfster. Igor Pavlovitsj Kossakovski, echtgenoot van R.M. Dostjan

(9) Daniil Aleksandrovitsj Granin (1919 -2017), schrijver.


3

December 1957

Beste Konstantin Georgijevitsj

Vergeef me, maar ik heb een verzoek aan u. De Moskouse afdeling van de schrijversbond heeft besloten mij te accepteren als lid zonder de verschijning van mijn boek af te wachten.

Zoudt u geen aanbeveling kunnen schrijven?

Als het voor u om een af andere reden moeilijk of lastig is om een brief te schrijven, aarzel dan om Gods wil niet om te weigeren. Als u überhaupt geen zin heeft om brieven te schrijven, hoeft u niet te reageren op mijn verzoek, ook dat zal ik u absoluut niet kwalijk nemen. Ik zal uw antwoord afwachten tot, laten we zeggen, de 15e februari; als ik het dan niet ontvangen heb, neem ik aan dat u bezet of ziek bent, of niet in de stemming, whatever!

Het ga u goed, ik wens u goede moed en frisheid toe bij het werk!

Uw J.Kazakov

Mijn adres: Moskou G-2, Arbat 30, woning 29

Van de zomer ga ik naar het merengebied. Men zegt dat daar heremietenkloosters zijn. Dat is interessant! Heeft u geen zin om met ons mee te gaan?

Op 3 februari 1958 schreef Paustovski Kazakov vanuit Taroesa: ‘Beste Joera. ‘Wees niet boos op mij (ook niet in het diepste van je ziel), omdat ik je niet heb geantwoord. Het heeft niets te maken met mijn relatie tot jou. U heeft misschien begrepen, of u weet het van Galka (Ach, die Galka), dat ik u als schrijver bijzonder waardeer en dat ik als ik uw verhalen lees vaak tot tranen toe geroerd ben. En dat komt niet omdat bij een oude man de tranen snel komen (dat is bij mij helemaal niet zo), maar omdat ik onze literatuur en ons volk gelukkig prijs, omdat er lieden zijn die al het schoons dat tot stand is gebracht door onze voorvaderen – van Poesjkin tot Boenin - koesteren en vermeerderen. Groot is de God van het Russische land. IK heb u niet geantwoord vanwege de afschuwelijke ziekte waardoor ik geteisterd word: vanwege mijn astma. Op het ogenblik voel ik me beter, maar een poosje geleden snakte ik naar adem als een vis op het droge, en viel zowel het denken als het schrijven en spreken me moeilijk. Als ik me tegen de zomer beter voel en de artsen laten me gaan, dan ga ik met genoegen met u naar het merengebied. Het noorden fascineert me enorm. Als ze me toestaan om te gaan, dan neem ik, dat zal duidelijk zijn, Galka mee.. Ze laten me vanwege mijn ziekte niet alleen gaan. Schrijf mij over alles, trek u niets aan van mijn zwijgen. Wees gerust, werk, leef gelukkig.

Uw K. Paustovski

P.S. IK zal de aanbeveling sturen.


4

3 maart 1958, Dubulti

Beste Konstantin Georgijevitsj,

Dank, dank voor de brief en de aanbeveling! Ik had zelfs lang de moed niet om te schrijven – zo verheugd en in verwarring gebracht was ik. U kunt zich niet voorstellen hoe u me geholpen hebt met uw hartelijke woorden. Ik heb het dit hele jaar erg moeilijk gehad en heb de literatuur al een maand of acht gelaten voor wat ze was. Als je iedere dag ziet hoe oude talentloze vechtersbazen, vette wolfshonden van het type Sofronov(1) in de literaire arena verschijnen, hoe ze naar rechts en naar links uithalen, hoe ze hun riemen losmaken en alle schaamte verliezen, terwijl je hun niet tot rede kunt brengen, dan wordt het je akelig te moede en verval je uiteindelijk tot onverschilligheid. En dan het plenum – mijn God! Geen enkele interessante redevoering, niet een idee, maar wel een massa gemeenplaatsen en vreemde, bezopen oproepen om je niet tactvol te gedragen tegenover westerse schrijvers, omdat dat de waardigheid van de sovjetliteratuur zou aantasten, alsof je de waardigheid van echte literatuur zou kunnen aantasten.’

En dan de absurde eisen die aan de uitgeverijen worden gesteld. In mijn verhaal ‘Arktoer’ stond een alinea over zigeuners. Ze eisten dat ik die alinea schrapte, aangezien er een decreet was afgekondigd over het verbod op landloperij. In ‘Nikoeskja’ kwam de uitdrukking ‘Een dood woud’ voor. Ze eisten dat ik ‘dood’ verving door een ander woord, omdat het woord het verhaal een verkeerde sociale ondertoon zou geven. Etcetera, etcetera.

Laat ze overigens het rambam krijgen, ik ben nu opnieuw begonnen met werken. Ik ben opnieuw in Dubulti, opnieuw schijnt hier de zon, sneeuwt het, zijn er dennen, eekhoorns, ijs bij de kust, liefelijke datsja’s, reinheid en stilte. Er zijn erg weinig mensen in het schrijvershuis, niet te vergelijken met vorig jaar. Uw geest waart hier rond. Voortdurend herinnert men er aan hoe u hier leefde, hoe u ‘De gouden roos’ schreef. Als ik naar deze zee kijk, naar deze dennen, krijg ik plotseling zin om iets avontuurlijks te schrijven, iets romantisch en verschrikkelijks. Het onderwerp: oude piraten verschijnen in onze tijd en plegen een hele hoop magnifieke misdaden. Als ik daaraan begin, gaat dat zo: ‘Sterren openden hun harige wimpers, blauwgrijze dennen ademden mist uit, met een dof geroffel snelden de treurmerries van de schemering voorbij, en in de beroete haard van de taveerne van kwijlende Bob vlamde een heet vuur op, toen het Zwarte Schip van Jim met de luizenneus de baai binnenvoer. Maar helaas: in plaats van dit prettige werk te verrichten, schrijf ik over allerlei schurken, die me eronder gekregen.

Hoe is het met uw gezondheid?is het met uw gezondheid?

Laten we van de zomer naar het noorden reizen – wat een volkeren vind je daar, wat een vissen, wat een kerken. We zullen rugzakken dragen, slapen in vochtige ravijnen, onszelf voeden met paddenstoelen en onze door de literatuur ondermijnde gezondheid versterken. We zullen de geur van zeewier inademen, zeehonden schieten, op schoeners varen, gedichten schrijven, zingen en droevige gedachten koesteren over de grootsheid van de wereld. In de wouden zullen stokoude bosbewoners ons in de gaten houden, op de open plekken zullen we stuiten op dichtgetimmerde van ouderdom blauwgrijs geworden houten kerken, we zullen op onze knieën vallen met het gezicht naar het oosten en mompelen: Ik, gods slaaf, zal blijven staan tot mij een zegen is gedaan en bij het verder gaan een kruis slaan… Van deur tot deur, van poort tot poort gaand, zal ik uitkomen in het vrije veld… Ach, ach, laten we gaan, KonstantinGeorgijevitsj!!

Het ga u tot die tijd goed, zegt uw dienstwillige dienaar, die gezond is en u dat ook van harte toewenst. Galka feliciteer ik met haar vrouwenfeestdag nommer acht (Kazachs).

En ach, de foto! Wanneer krijg ik de foto, Konstantin Georgijevitsj?

Uw J. Kazakov

(1) Anatoli Vladimirovitsj Sofronov (1911-1990), dichter, dramaturg, hoofdredacteur van het blad Ogonjok van 1953 tot 1986


5

10 april 1958, Moskou

Beste Konstantin Georgjevitsj,

Ik ben net terug uit Dubulti. Het weer was goed, het werk ging nog beter en ik heb vijf verhalen geschreven. In Moskou wachtte me een verrassing: een brief uit Tsjechoslowakije; een tijdschrift daar, Wereldliteratuur, interesseert zich voor mij. En opnieuw dankzij u. Dank, veel dank voor uw gunstige opinie over mij, God geve dat ik het waar kan maken.

Konstantin Georgijevitsj, wat zegt u ervan als ik een van mijn nieuwe verhalen aan u opdraag. Sjteinman (1), de Leningradse criticus heeft hem in Dubulti gelezen en wilde hem erg graag hebben voor ‘Zvezda’. Maar ik heb hem niet gegeven. Dus, als hij hier iedereen bevalt, staat u dan toe dat ik hem aan u opdraag? Ik wil dat erg graag. Het is een verhaal over het noorden.

Mijn moeder heeft een kennis horen vertellen over een persoon die astma geneest. Het is misschien ‘godsdienst en opium’, maar wilt u niet proberen u door hem te laten behandelen. Zulke lieden hebben vaak inderdaad een goede behandeling – dat is een feit. Mijn moeder gaat proberen het adres van die man te achterhalen, en als dat haar lukt, zal ik het aan u overbrengen.

IK verlang er erg naar om u te zien en met u te praten, maar dat komt later, nu wacht ik op uw toestemming voor de opdracht. U hoeft me niet meer dan twee regels te schrijven.

Nog eens veel dank voor alles, wees gezond, ik hoop dat u goed kunt werken en wens u een prettige stemming toe.

Uw J. Kazakov.

(1) Zelik Jakovlevitsj Sjtejnman (1907-1967), literair criticus in de jaren 1936-1956, zat in kampen in het noorden van Rusland.


6

20 augustus 1958, Moskou

Beste Konstantin Georgijevitsj, goeden dag!

Ik ben in Leningrad geweest, en ben me daar rot geschrokken in verband met Libanon (1) (in de woning waar ik mijn intrek had genomen had men het al over oproepen voor het leger), daarna hoorde ik een paar dagen gesprekken over de begrafenis van Zosjtsjenko, daarna ben ik vertrokken voor een vaartocht door het Mariinski watersysteem, ik was in Vytegra, in Belozersk, in Tsjerepovets, Oeglitsj en Rostov, en ging met de trein terug naar Moskou.

Moskou was verlaten en vervelend, de literatuur stond er beroerd voor. Het tijdschrift ‘Oktjabr’ wil me een reis naar het noorden laten maken en ik ga, hoewel ik niet veel zin heb om alleen te reizen. Korinets is zonder op me te wachten alleen vertrokken en heeft in Kargopol Tendrjakov(2) en nog twee jongens ontmoet, nu trekken ze met z’n vieren langs de Onega, en ik voel er niets voor om me bij hen te voegen, want ik wil naar een plaatsje aan de Witte Zee, me op de visgrond bij de vissers voegen en twee of drie weken bij hen wonen, hun dagelijks bestaan bestuderen en misschien zelf met hen mee werken, vis vangen.

Hoe voelt u zich? Krijgt u nog niet de kriebels? Laten we anders samen gaan – de reis is goed te doen: met de trein naar de Onegarivier, en dan nog een dag op de boot, dat is alles. Ik vertrek op 26 augustus.(3)

IK ben al heel wat dagen zwaarmoedig, heb totaal geen zin om te schrijven, zit bij de pakken neer en kom nergens. Ik stond al een paar keer op het punt om naar u in Taroesa te gaan, maar heb het steeds uitgesteld – waarom zou ik, u heeft waarschijnlijk al zorgen genoeg van uzelf. Mijn boek is bij uitgeverij Sovetski pisatel nog steeds niet gezet, hoewel ze me in juni al gezegd hebben dat het klaar was en uit zou komen. Ik durf me daar niet te vertonen, ben bang dat ze zullen zeggen: aha, u hadden we net nodig, we hebben hier een dubieus verhaal, wilt u dat misschien verbeteren… Ze kunnen me wat!

Alleen u steunt me doordat u überhaupt ergens leeft en schrijft. Als ik me uw gezicht en stem voor de geest haal, voel ik me beter, want om me heen heb ik alleen stomme smoelen.

Ik wil erg graag iets over u schrijven : voor ‘Jachtvelden’. Ik ga het in de herfst proberen, als er iets draaglijks uit komt, geef ik het aan N.P. Smirnov (4), zo niet, laat dan iemand anders het schrijven.

Het verhaal ‘Manka dat aan u is opgedragen, is verschenen in ‘De boerin’ (1958, nr. 8 – J.K.),maar ze hebben het verschrikkelijk verminkt en de opdracht aan u weggelaten, dus leest U het voorlopig maar niet; als het in een boek verschijnt, dan moet u het lezen. Ik heb het Dorosj (5) laten lezen en heb hem ter controle nog zijn mening gevraagd. Dorosj prees het - gelukkig, want ik zit voortdurend in angst dat het verhaal toch niet zo goed blijkt te zijn en u onwaardig.

In Archangelsk is het boekje nu gezet, en ik durf er niet aan te denken, zoals je op de jacht naar een korhoen of een eend toesluipt en er niet naar durft te kijken. Een redactrice daar is helemaal weg van mij, d.w.z. van mijn verhalen, ze heeft er in heel Archangelsk de loftrompet over gestoken en de holbewoners daar hebben me bijna opgevreten, het regionale partijcomité wilde het zien, terwijl ik het al had afgeschreven, maar plotseling liep het toch, ze hadden het op een tamelijk slinkse manier uitgebracht: volgens het contract moesten het vier vel druks zijn, maar in feite waren het er 7 a 8: ‘de lelijke vrouw’ zat erin en ‘Rook’ en ‘Manka’ , en de overige verhalen die ik hier heb geschreven.

Dus gaan de zaken van de ene kant helemaal niet zo slecht, maar toch is het niet wat ik wil, en maak ik me kwaad, het leven is kort. Je hebt gewoon de tijd niet om geduld te betrachten en af te wachten.

Ik schrijf u steeds, maar u antwoordt niet, en ik weet niet of mijn brieven u bereiken, maar zelfs als ze u niet bereiken en u ze niet leest, blijf ik toch schrijven – als naar de kosmos, laat me, ik vind het prettig om u te schrijven, ik wil u schrijven op een montere toon en over interessante zaken, zoals dat een man betaamt, maar ik ga voor ik het weet zeuren en janken. Maar ik heb het wel behoorlijk moeilijk op het ogenblik, zonder dollen, oordeel zelf, de laatste dagen is me alleen per brief de les gelezen door Panferov en heb ik een bespreking ontvangen van Tvardovski (6) met het verwijt dat ik zou koketteren en te hoog geprezen ben, zwelg in mijn eigen kunstenaarschap, het leven eenzijdig opvat en dat de invloed van de ouden voelbaar is enz. Bovendien heeft ‘Literatuur en leven’ twee verhalen van mij geweigerd, Zoebavins (7) ‘Tijdgenoot’ heeft ze ook geweigerd. S. Baroezdin (8) maakt voortdurend aanstalten om me de grond in te boren – onwillekeurig slaak je een zucht.

Maar goed, het doet er niet toe, misschien kom ik bij de vissers op adem en breng vandaar iets pittigs en verkwikkends mee terug. U zou mee moeten gaan! Schrijf in ieder geval, als u niet gaat, ik zal wachten.

IK heb me zonet bij u beklaagd en herinnerde me dat mijn moeder een keer vertelde dat ze in hun dorp een buurman hadden, een lapzwans en een dronkelap, die zijn koe stro voerde. Die koe was vel over been, hij rook aan het stro, maar wilde het niet opvreten, terwijl de buurman hem toesprak: ‘Eet op, moedertje, eet op! En je zult zijn wie je bent.’ Zo is het ook met mij – ik ben die ik ben, eet alles op en overleef alles.

Het ga u goed, groet Tatjana Aleksejevna (8) van mij.

Ik vertrek voor anderhalve maand. Ik wil in de winter naar Dubulti gaan, om te werken. Heeft u geen plannen om daarheen te gaan?

Uw J.Kazakov

P.S. Zosjtsjenko is naar men zegt gestorven uit een onwil om nog te leven, met andere woorden door zwarte melancholie. Bij de begrafenis kon de humor niet achterwege blijven: zijn vrouw zei, steunend op de doodkist: ‘Staat u me toe een paar woorden toe…’ A. Prokofjev (9) begon een discussie met iemand: Had Zosjtsjenko een emigrant kunnen worden. Ze hebben hem begraven in Sestroretsk – in Leningrad mocht hij om een of andere reden niet begraven worden.

(1) In 1959 vond de invasie van de Verenigde Staten in Libanon plaats.

(2) Vladimir Fjodorovitsj Tendrjakov (1923-1984) schrijver, geboren in het district Vologda.

(3) Nikolaj Pavlovitsj Smirnov (1898-1987), schrijver en criticus, redacteur van de almanak ‘Jachtvelden’.

(5) Aleksandr Trifonovitsj Tvardovski (1910-1971), dichter, was op dat moment hoofdredacteur van het tijdschrift Novyj Mir (‘De nieuwe wereld’)

(6) Boris Michajlovitsj Doebavin (1915-1981), schrijver, was in 1958 hoofdredacteur van het tijdschrift ‘”Nasj sovremennik’ (“Onze tijdgenoot’)

(7) Sergej Aleksejevitsj Baroezdin (1926-1991), schrijver (van o.a. kinderboeken) en dichter, hoofdredacteur van het tijdschrift Droezjba narodov (‘Vriendschap der volkeren’)

(8) Tatjana Aleksejevna Paustovskaja (Jevtejeva, Arboezova) (1910-1978), actrice, vanaf 1949 de echtgenote van Paustovski, moeder van Galina Arboezova.

(9) Aleksandr Andrejevitsj Prokovjev (1900-1971), dichter, van 1955 tot 1965 eerste secretaris van de Leningradse schrijversorganisatie. Op 28 juli 1958 ontstond bij de uitvaart van Michail Zosjtsjenko een felle discussie tussen hem en Leonid Iljitsj Borisov, de schrijver van o.a. de romans ‘De paardensprong’(1927) en ‘De tovenaar uit Gel-Gü’ (1945), opgedragen aan Aleksandr Grin, ‘Jules Verne’ (1955) en ‘Onder de vlag van Katrjona’. (1957)


7

9 april 1959

Beste Konstantin Georgijevitsj,

Eindelijk heb ik het boek gekregen(1) en kan ik het u toesturen. Veel verhalen kent u al, onbekend bent u misschien alleen nog met ‘Op het eiland’, ‘Manka’, ‘De kustbewoonster’, en misschien nog wat.

Ik ben erg gelukkig dat ik u het boek kan sturen. En ik zal de hemel danken als ‘Manka’ u bevalt. In Archangelsk heeft het boek een waanzinnig succes, althans dat schrijven ze me, men leest het en praat erover.

Het Moskouse boek is nog niet uitgekomen. Het bestaat ongeveer uit dezelfde verhalen, alleen ‘Blauw en groen’ en ‘Oude mannen’ zijn toegevoegd - maar ‘De kustbewoonster’, ‘Op het eiland’ en ‘De lelijke vrouw’ ontbreken. Staat u me toe u nog een keer een goede gezondheid toe te wensen en nog een keer te verzekeren van mijn rotsvaste liefde. Vergeef me dat deze brief zo kort is, ik moet snel naar de brievenbus – vandaag vertrek ik naar Dubulti, waar ik tot begin april blijf.

Met ‘Het hertengewei’ (2) stoot ik u het brood uit de mond! Aj-aj, hoever is het al met me gekomen.

Hoe staat het met uw gezondheid? Kunt u goed werken? Schrijf me in Dubulti.

Groet Tatjana Aleksejevna van me.

Uw J.Kazakov

(1) De bundel ‘Manka’ (Archangelsk 1958)

(2) Het verhaal “Het hertengewei’ (ook wel: Het meisje en de trollen) stond in de bundel ‘Manka’


8

Mei 1959

Beste Konstantin Georgijevitsj,

Daar ik niet weet waar u nu bent, stuur ik deze brief voor alle zekerheid naar Taroesa, misschien zal hij u dan ooit bereiken.

Nou, u vermoed waarschijnlijk wat er met mij gebeurde toen ik uw artikel las. Bij anderen heeft het kwaad bloed gezet, en ik denk dat Sobolev niet zozeer mij wilde aanvallen als wel via mij u een loer wilde draaien.

Beste Konstantin Georgijevitsj, als in de literatuur überhaupt het begrip vaders en zonen bestaat, dan zal ik bij God, steeds beter schrijven, dat zweer ik u.

Ik zat er aanvankelijk erg over in dat u me niets schreef, dit te meer omdat u, naar ik hoorde, anderen wel schreef. Ik dacht dat ‘Manka’ niet bij u in de smaak was gevallen, dat u het niet wilde prijzen, maar ook niet wilde afvallen. En het was me droef te moede. Maar goed, daarna kreeg ik uw telegram en voelde me een stuk beter,

Ik belde u, Tatjana Aleksejevna zei me in het voorbij gaan dat u bepaalde geruchten hadden bereikt betreffende Malejevka. In Malejevka is het volgende gebeurd: eerst verweet ik allerlei analfabeten hun anti-artistieke houding (daar kon ik niet tegen, stommeling dat ik was), daarna verenigden de analfabeten zich onder aanvoering van Kartsev en besloten mij de grond in te boren. En op dat moment rebelleerde ik, wierp hun het verhaal over Lermontov (‘De klank van de breget’) toe, zij gingen daar op in en gaven me de volle laag, het werd een dolle boel, maar ik heb het doorstaan.

Onlangs ben ik naar de Oka te gaan met het plan om daar voor de zomer een optrekje te huren, te werken, te vissen en af en toe vrouwen te ontvangen. Ik kwam er terecht in een verbazingwekkend dorpje. U weet dat ik de laatste jaren veel heb rondgehangen op allerlei lieflijke plekken, maar toen ik dit dorpje ontdekte, stokte mijn adem, zo mooi is het. Het dorp heet Marfino en ligt op de linker oever, iets hoger dan Jernysjovka. Weet u wat? Verkoop mij uw huis in Taroesa, en bouw voor uzelf wat in dat dorp – ik schenk u de plek. Dat meen ik serieus, ga er gewoon een keer heen, al is het maar voor een dag, u zult er geen spijt van hebben.

Dus ik huurde daar een halve izba voor de zomer, wilde mijn moeder naar het rusthuis is Jernysjovka brengen en laadde mezelf überhaupt op als een electron, toen ik plotseling werd gebeld door de Literatoernaja gazeta met het voorstel om met een wagon schrijvers naar Siberie te gaan . Ze stelden het niet alleen voor, maar drongen ook aan. Wie ik het ook vertel, iedereen raadt me aan om te gaan, dus dat zal ik waarschijnlijk doen, en naar de Oka ga ik later, eind juli of zo.

Er gebeuren wonderbaarlijke dingen op de wereld. Onlangs schreef ik het verhaal ‘Flauwekul’ over een bakenmeester op de Oka en überhaupt over Rusland en het Russische karakter, maar het meest over mezelf. Ik stuurde het naar ‘Oktjabr’, Panferov weigerde het omdat hij er geestelijke onvolwaardigheid in ontdekte. Maar na de rede van Sobolev werd Panferov plotseling erg kwaad, vroeg me het verhaal opnieuw op te sturen en wil het afdrukken in nr. 7 of 8 (hij heeft het al laten zetten!). Ik durf er gewoon niet aan te denken, het is geen grapje om twee jaar niet in de tijdschriften geplaatst te worden.

Als u tijd heeft, leest u het dan, het is best aardig

IK feliciteer u met uw verjaardag, moge God u vreugde en kracht geven en gelukkige dagen en nachten!

Dank u wel!

Uw Joeri

P.S. De Tsjechen hebben eindelijk drie verhalen van mij afgedrukt in hun tijdschrift, en daarna nog in de krant ‘Kultura’.


9

30 augustus 1959 Leningrad

Beste Konstantin Georgijevitsj!

Waar zit u? Ik stuur deze brief naar uw Moskouse adres, maar misschien bent u weer In Jalta of in Taroesa?

Ik leef en ben gezond, mijn stemming is min of meer opgewekt, ik denk vaak aan u. Ik wilde u al een hele tijd schrijven over het volgende. Ze hebben me uitgenodigd om naar Mosfilm te komen in verband met een scenario. Daar hoorde ik dat ze een boek van u aan het verfilmen zijn (1). Daarom smeek ik u: wees hard en wreed als een tijger, maar laat ze het verhaal niet verpesten. Houd zelf alles in de hand, geef geen duimbreed toe, laat ze uit hun vel springen, maar wel een echte film maken. Anders zult u zich als eerste slecht, akelig en bekocht voelen. Wat ben ik niettemin blij voor u!

En nog een verzoek: leest u alstublieft mijn laatste verhaal in ‘Oktjabr’ nr. 7. De titel is alleen niet ‘De afvallige’ (dat heeft Panferov verzonnen) – waar is hij dan van afgevallen! – maar ‘Flauwekul’

Iedereen heeft het momenteel op me begrepen, maar laat u zich daardoor niet van de wijs brengen, zolang er lieden zijn zoals u, kunnen wij jongeren, het leven aan.

Ik ben momenteel in Leningrad samen met Korinets. Leningrad heeft ons ontvangen met kou, regen en wind. Het water van de Fontanka staat tot aan de oevers. Van hieruit gaan we naar Karelië of naar Novgorod.

Wees gelukkig, moge God u alles geven! Groet aan Tatjana Aleksejevna.

(1) Het betrof de verfilming van ‘Noordelijke novelle’ in 1960 door de regisseur E.N. Andrikanis


10

8 januari 1960 Golitsyno

Beste Konstantin Georgijevitsj!

Vergeef me, maar ik ben het niet die u, maar u bent het die mij vergeet. IK zeg u gewoon de waarheid. Ik wilde het allang zeggen, maar het kwam me niet over de lippen. Maar nu heeft mijn moeder me uw telegram doorgestuurd, waarin geschreven staat: ‘Vergeet me niet!’

Ik denk de hele tijd aan u, maar u bent moeilijk vindbaar. U verbleef Bulgarije en ik kende toen uw adres niet.

En daarbij schrijft u me om een of andere reden niets, antwoordt niet op mijn brieven, hoewel u wel aan anderen schrijft, diezelfde Ritsji Dostan bijvoorbeeld.

Schrijft u me, weet u het komt een jongere niet goed uit om het initiatief te nemen in allerlei betrekkingen met een oudere. De gedachten kunnen verschillen: misschien is het niet de juiste tijd of de juiste plaats, misschien staat uw hoofd niet naar mij enzovoort.

Weet u waar ik nu mee bezig ben? Met een filmscenario. Een scenario naar het verhaal ‘Manka’ (Overigens weet ik niet eens of het bij u in de smaak is gevallen! Ik heb het immers aan u opgedragen! ) Ik heb het nu bijna af, binnenkort lever ik het in bij Mosfilm (1), en daarna begint de echte ellende pas, denk ik - allerlei dingen die veranderd moeten worden, muggenzifterijen.

Ik woon nu in Golitsyno, in het schrijvershuis, aangezien ik thuis absoluut niet kan werken.

Ik droom dag en nacht van de Oka, over hoe ik daar van de zomer naar toe ga, hoe ik daar zal schrijven, vissen, u af en toe zal zien. Bent u van de zomer in Taroesa.

We hadden een erg plezierige ontmoeting toen in september. Ik heb geen goed leven geleid dit jaar, verdeed mijn tijd, dronk veel en schreef niets. De literatuur zat me plotseling tot hier. En toen ik met u sprak, dat wil zeggen u het een en ander over mezelf vertelde, voelde ik me beter, rustiger.

En daarbij heeft uw hele gezin een goede uitwerking op mij. Zowel Tatjana Aleksejevna als Galja.

IK ben nog steeds niet getrouwd, een persoonlijk leven is me op de een of andere manier niet gegeven, een ramp gewoon! En het schrijversleven is gewoon waardeloos, er is niets ergers. Ik zit al twee maanden in een schrijvershuis, eerst in Malejevka, nu in Golitsyno. Je zit over je schrijfmachine gebogen, schrijft, typt, komt nauwelijks op straat – wat is daar te beleven? Als je een gewoon leven leidt, dat wil zeggen zoals alle mensen – met hen of zonder hen - , goed je slentert wat rond, gaat vissen, graaft kuilen voor appelbomen, reist, jaagt, drinkt wodka, slaapt met meisjes – dan ga je de hele tijd gebukt onder het besef dat je niets schrijft, dat de tijd voorbij gaat, dat je woorden, gedachten, beelden vergeet, laat glippen. En als je gaat zitten werken, tik je, rook je, gaat met niemand om, je denkt voortdurend over bepaalde zinnen en de rest, dat is ook ellende.

En dan begrijpen ze het nog niet eens, zeuren je aan je kop, en al je ontdekkingen leiden nergens toe. Tsjechov hebben ze nu eindelijk begrepen, godzijdank – bijna honderd jaar later, moeten wij misschien ook onze hoop stellen op de toekomst: ach onze nakomelingen, die zullen het begrijpen. Maar je hebt geen zin om op je nakomelingen te wachten, een mens heeft een onmiddellijke reactie nodig op alles wat hij doet. Niet waar? Ik schrijf bijvoorbeeld dat een pelgrim voortloopt, en dat hij met een razend gebrul wordt voorbij gereden door auto’s. IK schrijf dat op en bedenk dat ik dat ik dat niet zomaar opschrijf, maar dat het een symbolische betekenis heeft. Een pelgrim tegenover auto’s. Onze eeuw omvat alles: het verleden en de toekomst. Maar er is geen hond die aandacht besteedt aan mijn auto’s, aan mijn symbool, ze roepen allemaal: aha, een pelgrim! Aha, een afvallige! Een pessimist! Een abstractionist!

Bent u ooit een analyse van uw werken tegengekomen? Ik bedoel een echte analyse, echt begrip, waarbij de analyticus ieder zinnetje van u herhaalt, inspecteert, beslist waar het toe dient, waarom u het hebt opgeschreven, waarom u juist dit en geen ander woord hebt gebruikt. Ik bedoel heeft iemand u aan uzelf uitgelegd? Dat heb je zo nodig om met meer overtuiging te werken en te leven, te voelen dat je niet voor niets werkt.

Maar nu heb ik om een of andere reden verschrikkelijk veel zin om over de Oka te varen, in de zon te liggen, iets in uw tuin te planten, een of andere wonderbaarlijke brasem te vangen!

Op iemand verliefd te worden! Dat is Konstantin Georgijevitsj, iets huiveringwekkends, verliefd worden. Zodat je vervuld raakt van melancholie. Zelfs al wordt die liefde niet beantwoord, toch betekent het veel.

Onlangs heb ik een nieuw verhaaltje geschreven. Leest u het, het zal worden gepubliceerd (als er niets tussenkomt) in Ogonjok nr. 3(2) Het is een erg kort verhaaltje – 5 bladzijden. En ik heb het zonder enige aanleiding geschreven, ik weet niet waarvoor.

Waar werkt u aan?

Men is mij in Polen gaan vertalen. En in Bratislava.

Goed, tot ziens! Ik houd erg veel van u, maar schrijft u mij alstublieft. Bij God,het is aan u om een houtblok, ook al is het knoestig, in mijn vuur werpen.

Mijn adres is: Golitsyno. District Moskou. Kommoenistitseskajastraat 26. Schrijvershuis.

Ik omhels u!

J. Kazakov

Hoe gaat het met Galja? Zij is opeens verdwenen uit de schrijversgezelschappen, je ziet haar nergens.

(1) Het scenario was bestemd voor de afstudeerfilm van J.A. Fajt

(2) Het betrof het verhaal ‘In de mist’, dat in Ogonjok verscheen onder de titel ‘De avondklok’


11

Winter 1960,

Beste Konstantin Georgijevitsj,

Hierbij deel ik u mede dat door mij nr.1 van het Hongaarse tijdschrift ‘Nagyvilág’ is ontvangen, waarin ‘Arktoer’ is gepubliceerd.

Ik moet u opnieuw bedanken, want uit een brief van de vertaler blijkt dat ze het verhaal hebben gepubliceerd op uw advies.

Het tijdschrift ziet er heel prettig uit en ruikt goed, alleen heb ik er niet een woord, behalve mijn naam, van begrepen – een hele wonderlijke taal.

In het tijdschrift bleek ook de inhoudsopgave van verleden jaar te staan, en in die inhoudsopgave staat u met uw verhaal ‘Ostap Bender’. Ik heb er lang over nagedacht wat dat zou kunnen betekenen, maar ik ben er niet achter gekomen.

Hier bij ons is het gaan vriezen, hoewel voorlopig nog niet erg hard, 15 tot 20 graden. Er is veel sneeuw gevallen. ’s Avonds valt er rook naar beneden, en dat is rook van de berken, en de sneeuw knerpt onder de voeten, het kriebelt in je neus van de kou.

Wanneer komt u naar Moskou? Ik wil u erg graag zien. En nog dit: gaan we ooit nog samen vissen?

IK heb een brief ontvangen waarin enkele mooie woorden over u staan en die ik bij de mijne insluit.

In maart staat weer een toeristisch reisje naar Tsjechoslowakije op het programma. IK ben van plan mee te gaan, wilt u ook niet? Ze zullen u daar binnenhalen als een God, denk ik.

Dat was alles. Het scenario heb ik af, ik heb het overgelezen en gezien dat ik inderdaad een abstracte humanist ben, zoals Goes me heeft genoemd.

Ik ga nu verhalen schrijven. IK heb een idee, dat lijkt op uw ‘Telegram’, alleen op een ander niveau.

Űberhaupt wil ik u dolgraag zien.

Het ga u goed, ik omhels u, schrijft u me!

J.Kazakov


12

28 maart 1960, Moskou

Dag beste Konstantin Georgijevitsj,

IK heb mijn termijn in Golitsyno uitgezeten, maar ik heb hem bijna voor niets uitgezeten, het heeft bitter weinig opgeleverd, want ik werd op een ongelegen moment bezocht door de liefde…

Maar goed, dat ligt allemaal weer achter me, aangezien ik voor de liefde beslist niet deug door mijn ongelukkige manier van leven, mij kan alleen een vrouw beminnen met de zenuwen van kardinaal Richelieu. Ik vertrek binnenkort naar Dubulti – en voor hoe lang zou u denken – voor twee maanden. Hoe leeft een normaal mens? Een normaal mens gaat naar de Oka in de lente, hij jaagt, vist, overnacht bij een kampvuur, drinkt met zijn vrienden, zingt hese liederen, bemint vrouwen en doet een hoop afwisselende en prettige dingen.

Een abnormaal mens verlaat huis en haard, verlaat zijn vrienden en vrouwen en zijn Arbat en alles, en gaat naar Dubulti (of naar Jalta), gaat in een kamertje zitten, rookt, maakt zich kwaad, tikt op zijn typemachine, kijkt terloops uit het raam, naar de natuur, naar de zon, naar de eekhoorns, lijidt aan slapeloosheid en leeft zo een maand of twee, drie – en dat alles alleen maar om daarna in een treurige stemming de redacties af te lopen, datgene wat hij in die drie maanden heeft gecreëerd aan te bieden en overal afwijzingen te krijgen Ach, ach!

IK ben erg lang bezig geweest met het scenario, ik schreef het een keer, ze eisten correcties, ik schreef het een tweede keer en liet het daarbij: laat ze maar het rambam krijgen! IK ben immers niet op mijn achterhoofd gevallen, ik ga gewoon naar Dubulti, daar kunnen ze me niet bereiken, maar toch moeten ze de film maken, daarom maken ze hem ook, ze zullen met hun tanden knarsen, maar wel de film maken. De regisseur studeert aan het VGIK (filminstituut), het is zijn afstudeerfilm, hij moet hem maken.

In Dubulti wacht mij een mechanisch en tamelijk aangenaam klusje: ik ga al mijn verhalen overschrijven voor een bundel. Een paar ervan zijn twee of drie jaar geleden geschreven, en nu merk ik er dankzij mijn frisse blik veel overbodigs in op, dat geschrapt moet worden. Ik maak me wel zorgen over mijn nieuwe bundel omdat 80 procent ervan verhalen zijn in de trant van ‘De pelgrim’ en ‘De afvallige’ en de redacteur er veel uit kan gooien.

Maar wat voor een verhaal heb ik nu net geschreven, als u dat eens wist! De titel is ‘De geur van brood’. Een kort verhaaltje, maar ik ben er ontzettend tevreden over, zoals bijna nog over geen enkel verhaal tevreden ben geweest. Hier in Moskou leest iedereen het, maar waarschijnlijk zal niemand het publiceren. Het zou samen met twee andere in ‘Oktjabr’ verschijnen , maar Panferov veranderde met de hem eigen grilligheid plotseling van mening en wees het af. (!)

Hoe gaat het met u? Hoe vordert het werk? In Jalta staat nu waarschijnlijk alles in bloei?

Ik wilde steeds langs komen in Jalta om een blik op u te werpen, met u te praten, maar het zat er steeds niet in. Enfin, waarschijnlijk zien we elkaar van de zomer in Taroesa. Ik verlang er erg naar.

Ik wens u alle goeds, houd u goed, wees niet ziek!

Ik omhels u stevig.

J.Kazakov

Ja. Ik was onlangs op de burelen van de ‘Lieratoernaja gazeta’ en sprak daar met een medewerker van de brievenafdeling. En wat brieven betreft, d.w.z. qua hoeveelheid brieven over u, staat u nu op de eerste plaats. U zet ons allemaal voor schut. Waar ik u mee feliciteer, van binnen, zoals u zult begrijpen, een diepe afgunst koesterend.

(1) Het verhaal ‘De geur van brood’ werd gepubliceerd in de almanak ‘Taroesskie stranitsy’


13

10 september 1961

Beste Konstantin Georgijevitsj,

IK schrijf in haast om de volgende reden. Ik heb Levita hier ontmoet en zelfs wat met hem gedronken. Zijn stemming beviel mij helemaal niet. Gehoor gevend aan zijn verzoek schets ik u de situatie in Kaloega.

Als hoofdredacteur is Levita(1) een woning beloofd in Kaloega. Hij hecht zeer aan die functie. En bovendien komt bij de uitgeverij zijn dissertatie uit. Dat alles vreest hij te verliezen, zoals hij mij in aanwezigheid van Pantsjenko(2) onomwonden heeft verteld.

Verder wordt op Levita druk uitgeoefend door de secretaris van het districtscomité voor propaganda. Het gaat dan om de gedichten van D. Samojlov(3) de novelle van Okoedzjava(4) en mijn verhalen (5). Dat alles is, naar zeggen van Levita, in gevaar.

Levita zei het volgende: ‘Als Paustovski vasthoudt aan de samenstelling van de bundel en niet akkoord gaat met veranderingen, als hij als voorwaarde stelt: ofwel de bundel komt er in zijn geheel of hij komt er helemaal niet, dan zal hij, Levita, ook op zijn standpunt blijven staan. Maar hij heeft de zekerheid nodig dat u zich niet laat overreden om de bundel te veranderen.

Zo staan de zaken.

Mij bevalt dat alles niet, maar ik weet niet wat beter is: wachten of me er meteen mee bemoeien. Een ding is duidelijk: we moeten de bundel constant bewaken en de zaak uit alle macht versnellen en vooruit helpen, zodat de bundel uitkomt in de door ons bedachte vorm. Dan zal het een overwinning zijn en iets waarop we trots kunnen zijn. Aan een kaalgeplukte bundel heeft niemand iets.

Galka heb ik gezien en haar het geld gegeven. Hartelijk dank. Galka is geweldig, ze zit thuis en luistert naar jazz op haar aggregaat. Andrej(6) hebben ze verrot gescholden in het blad Sovjetmuziek, Galka is naar beneden gelopen, heeft het blad gepakt, heeft het artikel gelezen en is ook gaan schelden.

Bij ‘De Moskouse literator’ hebben ze me verzocht u een bepaalde verklaring te ‘ontfutselen’. Ze hebben daar het plan opgevat een serie artikelen van bekende schrijvers te publiceren onder het hoofd ‘Plannen. Verrichtingen.’ En nog iets. Schrijft u hun hoe u gaat vissen, ruzie maakt met bakenmeesters, haut-sauterne drinkt en met slordige hand geniale dingen schrijft en de gedenkwaardige Taroesskie stranitsy. Want ze schrijven allemaal zo mistroostig over hun plannen dat je het liefst naar het noorden wilt, naar de zeehonden en met hen praten over het leven.

Het ga u goed, ik wens u veel succes bij het werk

Uw J. Kazakov

Het Poolse Piw heeft me een brief gestuurd, het verzoekt me meteen na het uitkomen van de bundel een telegram te sturen.

(1) R.J. Levita, hoofdredacteur van een uitgeverij in Kaloega. Na het verschijnen van ‘ Taroesskie stranitsy’ werd hij ontslagen. Ook in zijn verdere carrière ondervond hij veel tegenwerking door de CP.

(2) Nikolaj Vasiljevitsj Pantsjenko (1924-2005), schrijver en dichter. In de ‘Taroesskie stranitsy’ stonden gedichten van hem.

(3) David Samoeilovitsj Samojlov (1920-1990), dichter. In ‘Taroesskie stranitsy’ stond van hem o.a. het gedicht ‘Zabolotski in Taroesa’.

(4) Het betrof de novelle ‘Het ga je goed, scholier’.

(5) ‘De geur van brood’, ‘Naar de stad’ en ‘Geen gedoe’.

(6) Andrej Michajlovitsj Volkonski (1933-2008), componist, op dat moment de echtgenoot van Galina Arboezova.


14

20 september 1961, Petsjory

Beste Konstantin Georgijevitsj,

Goeden dag! Hoe is het weer bij u in Taroesa? Hier is het heerlijk, zo warm, er vliegt zo’n overvloed aan spinnen, er is zoveel schoonheid rondom, de ziel zwelgt, voeg daar nog het klokgelui aan toe, mijn stemming als schrijver in de herfst en u krijgt een voorstelling over mijn bestaan hier.

Konstantin Georgjevitsj!. U moet mij al is het maar twee regeltjes schrijven. Waar het om gaat is dat er een ideetje bij me is binnengeslopen dat me geen rust laat. Ik ben altijd verschrikkelijk jaloers geweest op romanschrijvers. En ik ben altijd van plan geweest zelf een roman te schrijven – maar dat moet je maar kunnen! En nu heb ik iets bedacht. Herinner je je mijn ‘Noords dagboek?’ Ik heb besloten alle cijfers eruit te gooien, en nog een inspanning te doen om het als tekst beter te laten slagen, en bij dit stuk nog het stuk over Moermansk te voegen, dat over de Kalevala, het stuk over de winteroever (daar ken ik een heel aardige rijke boer), daarna weer een stuk over de zeehondenjacht (daarvoor reis ik in februari met een ploeg zeehondenjagers naar de kusten van Groenland.) Maar ook dat is nog niet alles, ik heb bedacht om dat alles af te wisselen met mijn eigen verhalen – ‘Manka’ , ‘De geheimen van Nikisjka’ en ‘De kustbewoonster’ en die hele roman, als ik het zo mag noemen, af te ronden met ‘Herfst in de eikenwouden’. (2)

Alles bij elkaar wordt het dan een lijvig boek van 13 tot 15 vellen druks (1). Al mijn verhalen en aantekeningen worden in die roman als het ware hoofdstukken, delen. En waarom zou het geen roman zijn? Het zal daarin steeds om hetzelfde draaien: om De Witte Zee, om de vissers, de seizoenen, die er bijna allemaal in voorkomen – de herfst, de winter, de zomer (alleen de lente niet). Bovendien zal de persoon van de auteur overal aanwezig zijn. Er schieten me ook voorbeelden te binnen: Lermontov met zijn ‘Held’ – is dat een roman? Of van u ‘De gouden roos’ , is dat een novelle? Daarin staan immers ook afzonderlijke verhalen, bijvoorbeeld ‘De nachtelijke diligence’.

IK heb sterk de behoefte aan advies en ondersteuning, schrijft u me alstublieft - of het nu een roman wordt of niet, of alleen een verzameling schetsen en verhalen.

IK werk nu aan de schets over Moermansk, een duivels moeilijk karweitje, ik wil graag iets heel poëtisch, krachtigs maken, om een goed figuur ts slaan, ik schrijf het op een abnormale manier, eerst stukken uit het midden en dan uit het einde, en dat plak ik vervolgens aan elkaar.

Ik heb Otten(3) geschreven, heb hem om de eerste versie van ‘Herfst in de eikenwouden’ gevraagd, die heb ik om een of andere reden niet, maar hij stuurt hem me niet, herinnert u hem er bij gelegenheid aan dat hij het opzoekt en hierheen stuurt, ik ben hier nog ongeveer een maand.

Hoe gaat het met de bundel? IK zou het erg graag willen weten. Schrijft u me, Konstantin Georgijevitsj. Vooral over mijn roman.

Het ga u goed, ik omarm u!

Mijn adres is district Pskov, stad Petsjory, poste restante

Uw J.Kazakov

(1) Het Noords dagboek werd gepubliceerd in het tijdschrift ‘Znamja’ (1961, nr.3 e3)n 4).

(2) Een ingekorte versie van ‘Herfst in de eikenwouden’ werd gepubliceerd in Znamja (1961, nr.9). In verband hiermee liet Paustovski zich in een toespraak in het Moskous energetisch instituut op 27 mei 1963 als volgt uit over Kazakov: ‘Het is een norse man, hij heeft erg weinig van die levendigheid en jovialiteit die gewoonlijk wordt toegeschreven aan schrijvers. Een norse, nadenkende, zeer scherpzinnige man, met een zeer goed oog. Missschien heeft u zijn verhaal ‘Herfst in de eikenwouden’ gelezen. Dat verhaal heeft hij dus verpest, daarover hebben we om zo te zeggen zware gesprekken gehad… Bij ‘Znamja’ hebben ze het midden van het verhaal eruit gehaald, het sterkste, meest interessante, schokkendste deel. Een alleen de omlijsting is overgebleven, maar zelfs aan de hand van die omlijsting krijg je een idee wat een goed verhaal het was, de kern is geschrapt. En hij heeft toegegeven. Dat heeft iedereen hem kwalijk genomen. Hij ziet eruit als een erg stevige, sterke man, maar op dit punt heeft hij toegegeven. En waarvoor? Anders hadden ze het misschien twee jaar later gepubliceerd. Hoe kun je als schrijver je eigen verhaal laten verminken? Maar hij heeft er dus behoorlijk van langs gekregen hiervoor… (uit het tijdschrift ‘De wereld van Paustovski 2004, nr.21) In de verhalenbundels van Kazakov is de originele versie van dit verhaal afgedrukt.

(3)Nikolaj Davidovitsj Otten (1907-1983), criticus, scenarioschrijver en redacteur-samensteller van de bundel ‘Taroesskie stranitsy’


15

20 december 1961, Golitsyn

Beste Konstantin Georgijevitsj,

IK wens u veel geluk in het nieuwe jaar! Ik heb met eigen ogen gezien wat een rij er stond voor ‘Taroesskie stranitsy’’ en ik zeg ronduit tegen jullie allen die dit voor elkaar hebben gekregen: jullie hebben iets goeds verricht. Driewerf hoera voor jullie allemaal. Het gerucht heeft me bereikt dat mijn laatste verhalen u niet zijn bevallen. En ik stelde me voor hoe u ze las, hoe u naar buiten bent gegaan en gespuugd hebt, hebt geblazen, en het hoofd hebt gedraaid, en hoe de geur van de sneeuw u vervolgens tot rust bracht. Neem me niet kwalijk, ik zal het niet meer doen. U gaat naar Jalta? Het ergste deel van de winter – november, december – is voorbij, nu komt er alleen nog louter genoegen, de lente van het licht en de rest. Je moet in de lente naar Jalta gaan, in maart-april, wanneer het bij ons vochtig is. Ik ben van plan eind januari naar Taroesa te gaan, ik blijf hier nog een tijdje en ga dan. Ik ga op een slee in Polenovo op visite. Wat heeft het gevroren, we hebben lang niet zoiets gehad, de sneeuw kraakt onder de voeten, de zon is troebel-rood, zilverachtig stof, je krijgt zin om winterverhalen te schrijven. Blijft u in Januari en Februari maar in Taroesa zitten, ik kom bij u op bezoek, zal mijn keel schrapen en mijn neus snuiten door de vorst, met mijn viltlaarzen stampen, daarna doen we pelsjassen aan en gaan visites afleggen, we zullen daar bij de kacheltjes en de schoorstenen zitten en de lucht van koolsoep uit de keuken opsnuiven. Jalta kan ons gestolen worden. Dit te meer omdat u in de lente naar warme landen reist – naar Italië of Tsjechoslowakije. Ik heb hier een verhaal geschreven. Ooit was ieder nieuw verhaal een gebeurtenis voor me, maar nu ben ik al enigszins met stomheid geslagen door hun eindeloosheid, en denk ik, zoals Trigorin in ‘De meeuw’: hoe lang nog! Hoeveel kun je er schrijven! En ik droom dat, zodra Fedja Polenov (1) zijn Bruin inspant en hooi in de slee legt, wij zullen gaan zitten, onszelf goed instoppen en ons afwenden van de wind. De hoeven zullen kraken, de sledeijzers zingen en we gaan ergens heen, naar een ver dorp in het gouvernement Toela, overnachten in een izba, drinken gesmolten melk en schrijven daarna iets dat smakelijk is als melk. Goed, nog een keer de beste wensen voor het nieuwe jaar en dat wij allen vrede in de mensen zullen hebben en welbehagen! Ik ben erg blij dat u gezond bent en monter.

Uw J.Kazakov

(1) Fjodor Dmitrijevitsj Polenov (1929-2001), kleinzoon van de kunstschilder Vasili Dmitrijevitsj Polenov (1844-1927), de bewaarder van het landhuis-museum Polenovo, vriend van Kazakov.


16

27 augustus 1964, Moskou

Beste Konstantin Georgijevitsj,

Iedere dag ben ik van plan om naar Taroesa te reizen, u te zien en naar hartenlust te praten, maar allerlei zaken en zaakjes staan dit nobel streven van mij steeds in de weg. Nu houd ik het niet langer uit en schrijf u. Mij bereiken geruchten dat u gezond en wel bent, waar ik erg blij over ben. En dat u zelfs van plan bent om naar Engeland te gaan(1). Klopt dat? IK heb net als vorig jaar een maand met Zjenja Jevtoesjenko doorgebracht in het noorden. Deze keer gingen we op een schoener van pelsjagers mee voor de jacht op beloega’s. We gingen ver de zee op – vanuit Archangelsk steeds verder naar het noorden, naar kaap Kanin, daarna langs het Kolgoejev-eiland nog verder naar het noord-oosten, naar Nova Zembla. Daarna voeren we langs het eiland Vajgatsj, via de Joegorski Sjarbaai naar de Karische Zee en daar begonnen we ons werk van bloed en dood. Het is een machtig schouwspel wanneer ze met een geweer van heel dichtbij op een beloega schieten met een brisantkogel, op zijn kop, waaruit een bloedfontein met de dikte van een hand ontspringt, terwijl het groenachtige water rondom rood kleurt. In de verte strekt zich over honderden kilometers de onbewoonde toendra-oever uit met sneeuwtongen. Het was geweldig om langs Nova Zembla te varen, bijna geheel ingesloten door ijsschotsen, onder de zon en om allerlei zeehonden, meeuwen, eenden en zeehazen te zien. Soms kwamen we in de mist terecht en dan was onze schoener omgeven door regenbogen. Vaak werden we vergezeld door luchtspiegelingen – dan rezen de ijsschotsen aan de horizon omhoog als bergen, en die bergen hingen in de lucht, zonder de waterspiegel te raken. Daarna Amderma - een verschrikkelijke plek, flets en angstaanjagend. Stel je een kleine rivier voor, die direct, zonder een baai, in de oceaan uitmondt, aan weerskanten lage, kale heuvels en honderden barakken en huisjes op de oevers, en nog een dozijn radio-antennes. Twee of drie schepen liggen tegenover de monding van de rivier voor anker. Dat is het hele landschap. In Amderma zelf vindt je alleen trekhonden, soldaten en recruten. We werden afgehaald. Bijna de helft van de bemanning ging samen met ons aan land. We kregen een kamer met vier kooien, zonder tafel, met twee stoelen. In de winkels was alleen champagne en eau de cologne te koop. Daarom dronken de kapitein, de eerste officier en wij champagne. De anderen onverdunde eau de cologne. En ze spraken lange redevoeringen uit ter ere van ons, en in die redevoeringen kwamen stormen en ijsschotsen voor en de nachtelijke poolzon, en moed, en wat niet al. Daarna voeren we terug naar Archangelsk. Zjenja schreef een dozijn gedichten en ik zit nu de laatste hoofdstukken van mijn ‘Noords dagboek’ te tikken. Eind augustus-begin september wil ik het afronden – en dan ben ik er klaar mee. Ik heb er genoeg van. Het noorden zit me tot hier. Ik droom van de hengelsport, van de jacht en de overige charmes van middenrusland. IK heb gehoord dat u ‘Taroesskie stranitsy’ in het Engels heeft. En zelfs het vertaalde voorwoord. Kan ik dat voorwoord niet op een of andere manier toegestuurd krijgen? Heeft u maar een exemplaar? Stuurt u me dan alstublieft het adres van de uitgever die de ‘stranitsy’ heeft uitgebracht. IK ga ze schrijven. Geld betalen ze niet, laten ze in ieder geval wel het boek sturen. Het ga jullie goed, hartelijke groeten aan Tatjana Aleksejevna en aan iedereen, die nu bij jullie is. Ik omhels en kus jullie.

Jullie J.Kazakov

Mijn adres is Moskou g-2, Arbat 30, woning 29.

(1) In de herfst van 1964 maakte Paustovski op uitnodiging van uitgeverij Collins een reis naar Engeland.

Lijst van vertalingen door Monse Weijers

Michail Sjolochov: Blinkende steppe (Wereldbibliotheek 1968)
Alexander Solzjenitsyn, De kamphoer en de simpele zien, een toneelspel in vier bedrijven (de Boekerij 1969)
Alexander Solzjenitsyn: Een kaars in de wind, toneelspel ( de Boekerij 1972)
Alexander Solzjenitsyn: Een woord van waarheid. Nobelprijsrede (de Boekerij 1972)
Alexander Solzjenitsyn: Open brief aan de sovjetleiders (de Boekerj 1974)
Andrej Sacharov: Sacharov spreekt, van atoomgeleerde tot dissident (de Boekerij 1974)
Alexander Solzjenitsyn: Amerikaanse redevoeringen (de Boekerij 1976)
Gavriil Trojepolski: Witte Bim zwartoor (Hollandia)
David Pears: Wittgenstein (Meulenhoff)
Tsjingiz Ajtmatov: Het beulsblok (de Geus 1986)
Tsjingiz Ajtmatov: De liefde van een vrachtrijder (de Geus 1992)
Tsjingiz Ajtmatov; De Bonte Hond die langs de zee loopt (de Geus 1993)
Tsjingiz Ajtmatov: De dag die langer duurde dan een eeuw (de Geus 1995)
Alexander Poesjkin: Reis naar Erzurum (Hoogland en van Klaveren, 1999)
Alexander Poesjkin: De geschiedenis van Poegatsjov (L.J.Veen 1999)
Alexander Koeprin: Olesja en Vera. Twee liefdesverhalen (L.J.Veen 2002
Ivan Gontsjarov: Het ravijn (Atheneaum-Polak & van Gennep 2005)
Fjodor Dostojevski: Aantekeningen uit het ondergrondse (Atheneaum-Polak & van Gennep 2006)
Ivan Toergenjev: Liza (L.J.Veen 2008)
Jelena Rzjevskaja: Tolk in oorlogstijd (Mouria 2009)
Sigizmoend Krzizjanovski: De terugkeer van Münchhausen (Pegasus 2016)
Sigizmoend Krzizjanovski: Het rondzwervende vreemde (De Wilde Tomaat 2017)
Joeri Kazakov: Teddy, de geschiedenis van een beer (De Wilde Tomaat 2018)
Joeri Kazakov: Ik huil en ik jammer (De Wilde tomaat 2020)